Artikel 3-5 Handhavingsrichtlijn

Artikel 3
Algemene verplichting
1. De lidstaten stellen de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen vast die nodig zijn om de handhaving van de in deze richtlijn bedoelde intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen. Deze maatregelen, procedures en rechtsmiddelen dienen eerlijk en billijk te zijn, mogen niet onnodig ingewikkeld of kostbaar zijn en mogen geen onredelijke termijnen inhouden of nodeloze
vertragingen inhouden.
2. De maatregelen, procedures en rechtsmiddelen moeten tevens doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn; zij worden zodanig toegepast dat het scheppen van belemmeringen voor legitiem handelsverkeer wordt vermeden en dat wordt voorzien in waarborgen tegen misbruik van deze procedures

Artikel 4
Personen bevoegd tot het verzoeken van de toepassing van maatregelen, procedures en rechtsmiddelen
1. De lidstaten zullen als personen die bevoegd zijn om de toepassing van de in dit hoofdstuk bedoelde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen te verzoeken, erkennen:
a) houders van intellectuele-eigendomsrechten, overeenkomstig de bepalingen van het toepasselijk recht,
b) alle andere personen die gemachtigd zijn deze rechten te gebruiken, in het bijzonder houders van een licentie, voorzover toegestaan door en in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijk recht,
c) instanties voor het collectieve beheer van intellectuele-eigendomsrechten die officieel zijn erkend als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectueleeigendomsrechten, voorzover toegestaan door en in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijk recht,
d) organisaties voor de verdediging van beroepsbelangen, die officieel zijn erkend als gerechtigd tot het vertegenwoordigen van houders van intellectuele-eigendomsrechten, voorzover toegestaan door en in overeenstemming met de bepalingen van het toepasselijk recht.

Artikel 5
Vermoeden van auteursschap of houderschap van rechten
Voor de toepassing van de in deze richtlijn vastgelegde maatregelen, procedures en rechtsmiddelen
a) opdat de auteur van een werk van letterkunde en kunst, behoudens bewijs van het tegendeel, als zodanig worden beschouwd en bijgevolg gerechtigd is inbreukprocedures in te stellen, is het voldoende dat zijn naam op de gebruikelijke wijze op het werk vermeld staat;
b) is het bepaalde onder a) van overeenkomstige toepassing op de houder van een naburig recht met betrekking tot zijn beschermde materiaal.

Commentaar